italiaanse nederlanders

Het idee dat het voor een kunstenaar goed is om buiten de begrensdheid van de eigen cultuur nieuwe ervaringen op te doen stamt uit de Renaissance.

Eén van de eerste Nederlanders die de lange reis naar Italië ondernam was Albrecht Dürer, al in 1495 bezocht hij Venetië, maar hij was zeker niet de laatste.

Reizen is een goede  manier om nieuwe indrukken op te verzamelen. Zo reisde Jan van Scorel naar Rome omdat hij had begrepen dat er in Italië iets nieuws in de schilderkunst aan de hand was. Scorel reisde via Neurenberg, Tirol, Venetië en Jeruzalem naar Rome, waar hij kennis maakte met de kunst van de klassieke oudheid en van de grote kunstenaars van de Italiaanse Renaissance. Hij kreeg er notabene (misschien omdat er net een Nederlander paus geworden was?) het toezicht op de Vaticaanse kunstschatten! Hij moet dus Baldassare Peruzzi, in die tijd opperbouwmeester van de Sint Pieterskerk, van nabij hebben meegemaakt en uiteraard heeft hij het werk van Rafaël en Michelangelo gezien. Al met al was de artistieke bagage, die Scorel mee terugnam naar Nederland niet gering.

Een andere reislustige Nederlander was Maarten van Heemskerck. Ook hij was hevig geïnteresseerd in de oude klassieken en wilde de restanten van die beschavingen met eigen ogen zien. Hij tekent de ene na de andere ruïne en bestudeert de schilderkunst in Italië. In één van zijn schilderijen zien we het Colloseum in Rome, echter gereduceerd tot leuke achtergrond voor Van Heemskercks' selfie!

Deze Italië-reistraditie blijft populair. Nog lang reizen kunstenaars af om overblijfselen uit de antieke cultuur kopiëren. Na terugkeer in het thuisland blééf een aantal van hen Italiaans ogende landschappen schilderen. Deze 17de-eeuwse schilders worden Italianisanten genoemd.

Vaak combineren zij allerlei elementen uit landschappen en architectuur tot nieuwe fantasielandschappen. In Italië kende men dit fenomeen ook en werden deze schilderijen capriccios genoemd. Er zijn zelfs kunstenaars bij die nooit in Italië zijn geweest!

De vele Hollandse en Vlaamse schilders die zich in de 17de en 18de eeuw voor korte of langere tijd in Rome vestigden, kwamen bij elkaar in een vereniging met de naam Schildersbent. Voortaan hoorden ze dan bij de Bentveugels, zoals de kunstenaars zichzelf noemden.  In 1720 werd de vereniging bij pauselijk decreet verboden vanwege de vele onregelmatigheden die zich vooral bij de feesten voordeden.

De reis naar Italië werd In de loop van de achttiende eeuw een veel algemenere gewoonte, vooral doordat jonge Britse edellieden hun studie in de humanoria afsloten met een grand tour die hen in elk geval naar Rome voerde. Geïllustreerde reisgidsen meldden nadrukkelijk dat een bezoek aan de klassieke overblijfselen een absolute noodzaak was.

Onder Lodewijk Napoleon werd in 1807, naar Frans voorbeeld, de Prix de Rome ingesteld. Hiermee konden kunstenaars een studiebeurs naar Italië winnen.

mentale reizen

Reizen kunnen ook slechts in gedachten plaatsvinden. De schrijver Dante beschrijft in zijn 'Komedie' zijn imaginaire reis door de drie rijken van het hiernamaals: hel, louteringsberg en hemel. In het verhaal stelt is hij zelf de hoofdpersoon. Dante neemt de lezer mee op een tocht door het hiernamaals. Het verhaal van zijn reis speelt in de paasweek van het jubeljaar 1300 en de eerste etappe die hij aflegt voert hem de diepte van de aarde in, door de hel (Inferno), waar hij naast mythologische figuren ook bekende en machtige mensen uit Toscane tegenkomt. Vervolgens beklimt hij de Louteringsberg (Purgatorio), waar hij eveneens met vroegere hoogwaardigheidsbekleders spreekt. Zij worden gelouterd alvorens toegang te verkrijgen tot de hemel (Paradiso).

Tijdens zijn tocht door de hel en over de louteringsberg wordt Dante terzijde gestaan door zijn favoriete dichter, Vergilius, een Romein die leefde ten tijde van keizer Augustus. Vergilius vergezelt Dante door de hel, voorbij Lucifer zelf, over de Louteringsberg tot aan de poorten van de hemel, waar hij zijn volgende gids, Beatrice, ontmoet. Beatrice is gebaseerd op Beatrice Portinari, een meisje dat Dante tijdens zijn jeugd twee keer had ontmoet en dat hij nooit meer had vergeten. Beatrice begeleidt Dante door de hemel, tot aan het goddelijke licht. 

Hoewel Dante's verhaal uit de Middeleeuwen stamt, is het tijdens de Renaissance een zeer populair verhaal. De diepchristelijke levenshouding die eruit spreekt wordt namelijk gecombineerd met het aandachtig beschrijven van individuen, ieder met hun eigen emoties en eigenschappen. 

De illustraties van de Hel zoals Boticelli dat voor zich zag. Hieronder de houtgravures van Gustave Doré (van rond 1880) bij het verhaal van Dante.

Andere kunstenaars die verre reizen in hun hoofd maken of een reis suggereren die nooit heeft plaats gevonden zijn bijvoorbeeld Arjen Boerstra of Damien Hirst.


verre oorden

In de kunstgeschiedenis is het eerder regel dan uitzondering dat er over de grenzen gekeken wordt. Niet zo gek als je bedenkt dat een andere omgeving enorm kan inspireren en je op een andere manier kan laten kijken. 

Er zijn 3 momenten (en 3 gebieden) aan te wijzen in de kunstgeschiedenis dat de invloed van een ander land heel duidelijk is. Die lichten we er even uit.

de oriënt

De belangstelling voor het Midden-Oosten begint met de Egypstische veldtocht van Napoleon. Met de Franse troepen trok een klein leger geografen, ingenieurs, archeologen en kunstenaars oostwaarts. Zij moesten de Oriënt wetenschappelijk en artistiek in kaart brengen. 

Vooral schilders die werkten in een academische stijl vonden op deze manier nieuw materiaal in de Oriënt. Archeologische opgravingen in Syrië en Libanon leverden geweldige achtergronden op voor de verbeelding van historische gebeurtenissen en thema's uit de bijbelse geschiedenis of mytholologie.

Maar wat misschien nog wel meer tot de verbeelding sprak was het leven in de harem. Het eerste ooggetuigenverslag van het mysterieuze leven dat zich afspeelde achter de deuren van oosterse paleizen, kwam van Lady Mary Wortley Montagu. Zij reisde als vrouw van een ambassadeur mee naar Turkije en kreeg toegang tot enkele van deze vrouwenverblijven. Haar' Embassy Letters' , die en een nauwgezette beschrijving van de harems omvatten, vormden een bron van inspiratie voor latere schilders als John Frederick Lewis.

Wat het Westen meende te weten van het Oosten was dat vrouwen werden gezien als bezit, gevangen mochten worden gezet, werden beschouwd als slaven en (seks)speeltjes van hun meesters. Latere voorstellingen van harems zijn minder gewelddadig, maar nog wel sterk erotisch gekleurd, met talloze scènes van verfijnd genot en vrouwelijke sensibiliteit  tegen kitsch aanleunen.

De realiteit bleek anders. Britse reizigers die in de negentiende eeuw het Midden Oosten bezochten, konden met eigen ogen zien dat de meeste huizen niet zo fraai waren, dat zoiets als polygamie nauwelijks voorkwam, en dat er geen slavin te bekennen was.

Uit ons eigen landje is Marius Bauer wel de belangrijkste oriëntalist. Het 'Oosten' was zijn hoofdonderwerp. Hij maakte vele reizen naar Spanje, Rusland, Marokko, Algerije, Egypte, India, Ceylon en Nederlands-Indië. Al tijdens zijn leven was Bauer een gevierd kunstenaar, hij is zelfs ridder in de orde van Oranje-Nassau geworden!

Pas in 1852 bekommert de schrijver Gérard de Nerval zich in zijn reisverslag Voyage en Orient om authenticiteit. Het gevolg is een diepe desillusie:

'Koninkrijk na koninkrijk, provincie na provincie, de mooiste helft van het universum ben ik al kwijt, en straks zal ik niet meer weten waar mijn dromen nog een toevlucht kunnen vinden'

Dat de aantrekkingskracht van deze fantasie nog lang blijft bewijst de Odalisk uit 1920 van Henri Matisse hierboven. Hij, en vele andere expressionisten waren opnieuw, of misschien nog steeds, geboeid door verre oorden in het begin van de 20e eeuw. Met verschillende redenen: sommige kunstenaars gebruikten het beeld van de 'onbedorven' Oriënt om de lelijkheid of de decadentie van het industriële, kapitalistische Westen aan de kaak te stellen. Anderen droomden over het sensuele Oosten als een alternatief voor de bekrompenheid van het bourgeois Europa. Het exotische, maar ook het primitieve vertegenwoordigde voor hen een vorm van leven en zijn die zij als puur en echt beschouwden. 

het verre oosten

Het 'Verre Oosten' kreeg in het begin van de 20e eeuw volop de aandacht. Met name Japan stond in de aandacht. Rondom dit land ontstond zelfs een heuse hype, het 'Japonisme'. Doordat de grenzen van Japan eeuwenlang hermetisch afgesloten waren geweest, kwamen de prenten die daar (nadat de grenzen open gingen) vandaan kwamen als een grote verrassing. Het kleur- en lijngebruik van de Japanse prentkunst werd een grote inspiratiebron voor bijvoorbeeld iemand als Vincent van Gogh. Hij kopieerde de ene na de andere prent en de invloed van de prenten blijft, ook wanneer hij weer terugkeert naar zijn eigen onderwerpen en stijl goed zichtbaar. 

Ook van de Weense kunstenaar Gustav Klimt weten we dat hij bijzonder gefascineerd was door met namen Japanse stoffen. Daar moet hij een hele collectie van gehad hebben. Niet zo gek misschien als je bedenkt dat zijn partner modeontwerper was. 

afrika

Een ander continent dat zich in de belangstelling van de westere kunstenaars mocht verheugen is Afrika. Met name de expressionisten konden zich erg vinden in de geabstraheerde vormen die ze in maskers aantroffen. De realisatie dat zeggingskracht toeneemt bij vereenvoudiging mede te danken aan alle kunst die uit Afrika werd geïmporteerd en in het westen werd tentoongesteld. Pablo Picasso was een fanatiek verzamelaar van deze kunst en de invloed ervan in zijn werk is dan ook niet te missen!